Homepage van Jan van Weeren

Wat ik geleerd heb over voorbeschikking, vrije wil en moraal wil ik graag met anderen delen. Dat kan afstandelijk en beschouwend, in een essay, maar ook indringend en dramatisch, in een roman. Al schrijvend merk je dat de personages je meeslepen. Van schepper word je toeschouwer, lijdzaam getuige van hun handelen en onvermijdelijke noodlot. Het verhaal gaat met je op de loop.
Hieronder twee flapteksten en twee fragmenten uit recent werk.

Voor reacties en contact


Eerste flaptekst en fragment

Stuk terug

Op 12 mei 2010 is het precies zeventig jaar geleden dat de eerste en laatste militair in het Nederlandse leger, sergeant Meijer uit Dieren, wegens desertie wordt veroordeeld en gefusilleerd. Dertig jaar later zorgt deze gebeurtenis voor de nodige opschudding, als de verantwoordelijke generaal in een televisie-interview vierkant achter het vonnis blijft staan en de volgende dag - vanwege woedende oud-strijders - naar Engeland moet vluchten. De zaak is aan het rollen gebracht door artikelen in het Nederlands Juristenblad, onthullingen van Lou de Jong en een postuum verschenen monografie van Parooljournalist Jan Boer.
Er zijn in dat jaar (1970) Kamervragen over de zaak van sergeant Meijer gesteld, en later nog eens, in 1998, naar aanleiding van een VPRO-documentaire. Beide keren zag de regering geen aanleiding tot nader onderzoek over te gaan, laat staan tot eerherstel van de betrokkene. Zijn naam is kort na de oorlog heimelijk van het monument voor gevallen strijders in Rheden gebikt. Op 12 mei 2000, zestig jaar na zijn dood, is dankzij een particulier initiatief bij zijn graf in Dieren een gedenksteen onthuld.

Daarmee lijkt de zaak van sergeant Meijer afgedaan. Het boek van Jan Boer is uit de plaatselijke Rhedense bibliotheken verdwenen en nergens meer te koop. De storm van antiautoritaire verontwaardiging over de executie uit de jaren zeventig is geluwd. De krijgsrechtelijke juistheid van het vonnis hoeft door niemand meer te worden aangetoond. Wat blijft, is de aangrijpende tragedie van een eigenzinnige sergeant die een misser begaat en zijn noodlot ontmoet in de vorm van een overijverige generaal die zijn manschappen ziet weglopen.
Die tragedie wil ik vertellen, niet als feitelijk relaas, maar als menselijk drama. Daarbij heb ik mij nauwgezet gehouden aan alle historische details in documenten en ooggetuigenverslagen. Maar daarenboven heb ik het gebeuren gedramatiseerd en geromantiseerd. Zeventig jaar na dato gaat het niet meer om recht of onrecht, om gelijk of ongelijk, maar om de tragische onontkoombaarheid van het bestaan, in dit geval leven en dood van een Gelderse jongen die de Vesting Holland moet verdedigen, terwijl zijn eigen woonstee door de vijand is overlopen.


Fragment

De begrafenisondernemer parkeert de lijkwagen met de kist voor het huis waar de dominee als veldprediker is ondergebracht. Zijn hospita doet open.
‘U bent de vader van die jongen? Wat vreselijk voor u. Loopt u maar even mee naar de keuken. Wilt u koffie? De dominee is boven in zijn werkkamer.’
‘Kan ik hem spreken?’ vraagt de vader. ‘Ik hoef geen koffie.’
‘Ik anders graag’ zegt zijn dorpsgenoot. ‘Ik kan na vanmorgen wel een kopje gebruiken.’
‘Ik zal u voorgaan.’
De dominee staat op van zijn werktafel. ‘Mijn condoleances. Neemt u plaats.’
‘U hebt mijn zoon bijgestaan in zijn laatste ogenblikken?’
‘Ik heb met hem gesproken voor hij stierf.’
‘Wat was de aard van zijn verwonding?’
‘Hebt u het lichaam van uw zoon niet gezien?’
‘Nee. De kist was dichtgetimmerd. Die kon na al die dagen niet meer geopend worden.’
‘Heeft de grafdelver u niets verteld?’
‘Nee, die heeft mijn zoon pas gezien, nadat hij in uniform was afgelegd.’
‘Juist ja.’

‘Hij heeft ons geschreven dat hij als gevolg van artilleriebeschietingen zwaar gewond was geraakt en op sterven lag. Dus kon hij nog wel schrijven. U bent bij hem geweest. U moet weten wat er met hem aan de hand was.’
‘Ik heb hem gesproken voor zijn dood.’
‘Ja, dat begrijp ik. Maar toen was hij toch zeker ernstig gewond?’
De vader staart de dominee met grote ogen aan.
‘Tja weet u’ begint de laatste, ‘het is moeilijk voor mij om dit te zeggen.’
‘Wat is moeilijk om te zeggen?’
‘U moet weten dat uw zoon is gevallen door eigen vuur.’
‘Eigen vuur? Wat zegt u? Was het een ongeluk, een fout?’
‘Ja, het was een fout.’
‘Een fout. Wat voor fout? Van wie een fout?’
‘Uw zoon heeft zijn post verlaten en is daardoor omgekomen.’
‘Omgekomen? Door artillerievuur? Dat schrijft hij tenminste.’
‘Uw zoon is gevallen door kogels uit Nederlandse geweren.’
‘Dus geen artillerie. Hebben ze op hem geschoten?’
‘Uw zoon is helaas gevallen voor een vuurpeloton.’
‘Wát zegt u? Een vuurpeloton?’ Is hij gefusilleerd?’
‘Een veldgerecht heeft hem ter dood veroordeeld voor het eigenmachtig verlaten van zijn post.’
‘Wát zegt u?’
‘Uw zoon is veroordeeld voor desertie en terechtgesteld.’
De vader klapt voorover en slaat de handen voor zijn gezicht. De dominee staat op en legt hem de hand op de schouder.

‘Uw zoon was heel moedig. Hij heeft als hoogste in rang alle verantwoordelijkheid op zich genomen en daardoor negen van zijn mannen gespaard. De grafdelver die u hebt gesproken, heeft in alle vroegte met zijn knechten tien kuilen moeten graven, maar uw zoon heeft zich voor hen opgeofferd. Hij vond het vreselijk voor u, voor zijn moeder en zijn verloofde, hij schaamde zich diep. Hij heeft daarom vlak voor zijn executie die brieven geschreven.’
De vader gaat weer rechtop zitten en veegt zijn tranen weg.
‘Zijn post verlaten. Gedeserteerd. Ter dood veroordeeld. Als een hond neergeknald! Mijn jongen, die zijn vaderland zo graag wilde dienen. Die zo trots was op zijn uniform. Die zelfs heeft bijgetekend! Sectiecommandant is geworden! Dominee, zeg mij, wat is dat voor een vreemde God die dit laat gebeuren? Zeg niet dat Zijn wegen ondoorgrondelijk zijn, want dat wist ik al lang!
‘U moet God niet verantwoordelijk stellen.’
‘Wie moet ik dan verantwoordelijk stellen? Mijn jongen? Het Nederlandse leger? Die rotmoffen die ons bezet hebben?’

‘U moet het zo trachten te zien. God heeft de wereld geschapen als een reusachtig uurwerk, waarin ieder radertje op zijn manier draait en weer andere radertjes in beweging zet. Dat uurwerk is de wereld. De wereld bestaat zolang dat uurwerk loopt. En in dat uurwerk heeft ieder radertje zijn plaats, u, ik, en ook uw zoon. We draaien in dat uurwerk mee tot in alle eeuwigheid. God heeft het als de Grote Klokkenmaker ontworpen en aan het lopen gebracht, maar bemoeit zich niet met de afzonderlijke onderdelen. Die zijn er om het uurwerk draaiende te houden. Ze hebben net als in een gewone klok een eigen taak en doel, waaraan ze zich niet kunnen onttrekken. Ze vormen een onderdeel van het grote geheel dat de Schepping is. We kunnen als mens onze plaats in dat grote geheel alleen maar aanvaarden, en als radertje onze bijdrage zo goed mogelijk leveren. Uw zoon heeft zijn bijdrage geleverd, net als de leden van de krijgsraad en de soldaten van het vuurpeloton.’
‘Maar dat radertje van mijn zoon is wel hartstikke kapot.’
‘Dat radertje is niet kapot, want bij een kapot radertje zou het uurwerk niet meer lopen, en toch loopt het nog. Iedereen vervult zijn onvermijdelijke rol in het grote geheel waaraan niemand zich niet kan onttrekken. Het had niet anders gekund. Zo is het bestaan nu eenmaal.’
‘Het had dus niet anders gekund…’ De vader staart voor zich heen.
‘Het had niet anders gekund, dat moet u inzien. U kunt natuurlijk wel uw eigen verhaal erbij vertellen. Voor de krijgsraad was uw zoon misschien een deserteur, maar voor mij was hij een moedig man, die het leven van zijn mannen heeft gered. Die mannen zijn behouden voor het vaderland. In zekere zin is hij gesneuveld, want zonder de inval van de Duitsers zou hij het er levend afgebracht hebben. Hoe dan ook, hij is gevallen in de oorlog, en Den Vaderlandt Ghetrouwe lijkt mij een passend grafschrift voor de held die uw zoon was.’


Tweede flaptekst en fragment

Kamp Andijviestamp

Een kamp op een militair oefenterrein is hermetisch afgesloten. ’s Nachts wordt er gejaagd, maar waarop? Criminelen worden geronseld voor een speciale eenheid en nemen namen van helden uit de vaderlandse geschiedenis aan. Ze dragen uniformen en maskers en noemen zich Ala Batavorum. De mannen bewaken de staat tegen ongewenste elementen, maar wie hoort erbinnen en wie valt erbuiten?
Een oppermachtige minister-president met eigenzinnige ideeën heeft de gevestigde partijen buiten spel gezet. Die bereiden zich met alle mogelijke middelen voor op hun comeback. Verkiezingen zijn populariteitspolls geworden. Stemmen gaat per sms tijdens een tv-debat van de kandidaten.

Tegen deze achtergrond spelen zich gruwelijke maar ook romantische gebeurtenissen af. Hierin vervullen commandant Civilis, zijn troostmeisje Morrie en adjudant Oldenbarnevelt een centrale rol. Minister-president Hero en zijn tegenstanders, onder wie Vespa, zijn de anderen. Zelfmoorden, liquidaties en een uit de hand gelopen gijzelingsactie monden uit in een onontkoombaar einde.

Ethische vragen komen regelmatig naar voren, maar normen en waarden voor menselijk handelen lijken op zand gebouwd, het zand van de Waddeneilanden waar zich de kern van de tragedie voltrekt.

Wat zich in het verhaal afspeelt, heeft in het echt plaatsgevonden: in het Romeinse Rijk rond het vierkeizerjaar (69 n. Chr.).


Fragment

- Dat met de beveiliging is geregeld?
- Ja, ze nokken om eenentwintig nul nul uur af.
- Telefoons?
- Vanaf eenentwintig uur tien zijn de externe lijnen geblokkeerd. Ook internet is dan afgesloten.
- Zijn mobiel?
- We beschikken over een gsm-jammer.
- Dus hij zit daar alleen?
- Misschien met een secretaris of tekstschrijver. En de koffiejuffrouw.
- Goed, mevrouw, mijne heren, dan gaat het gebeuren. Laten we drinken op een goede afloop. Te lang hebben we voor Piet Snot in de kamer gezeten. Te vaak zijn we in actualiteitenprogramma’s en talkshows belachelijk gemaakt. Alleen een paar mediagenieke elementen heeft het enige virtuele winst opgeleverd. Meneer Vitel, we rekenen op uw connecties.
- Ik sta voor mijn partij, ik sta achter dit plan en ik sta in voor mijn jongens, meneer de voorzitter.
- Goed gezegd, Vitel. Een drieslag. Dat zou zo in een persmicrofoon kunnen. Proost.
Alle leden van de Task Force Paars Pluche, bijeen in Des Indes, heffen het glas.

In zijn werkkamer pakt Hero de telefoon.
- Ha mevrouw Ent. Heeft u nog een paar broodjes? Nee, doet u maar zalm. Vette vis is gezond. Tot zo.
Hij wil naar buiten bellen, maar hoort het signaal van geen verbinding. Dan probeert hij intern een paar partijmedewerkers te bereiken van wie hij weet dat ze ’s avonds laat doorwerken. Niemand neemt op. De broodjes arriveren.
- Het is stil op kantoor, mevrouw Ent.
- Ja, volgens mij is iedereen vroeg naar huis gegaan.
Hero neemt gehaast grote happen van de broodjes en spoelt ze weg met een glas Chablis. Hij belt nog een keer naar buiten, naar een ander nummer, maar krijgt weer geen verbinding. Hij kiest het nummer van het hoofd beveiliging en laat het toestel een keer of wat tevergeefs overgaan. Dan neemt hij zijn mobiel. Die doet het niet.

Hero rent de gang in, duwt links en rechts deuren open. Er brand licht, maar er is niemand. Dan ziet hij dat de stalen branddeur halfopen staat. Als hij de deur gepasseerd is, ontdekt hij dat de blindering niet is neergelaten. De zwarte gaten van de vensters gapen hem aan. Hij rent een andere gang in, rukt aan deuren die naar binnen opengaan. De kamers zijn leeg, maar overal brandt licht. Het ijzeren hek achter de ingang is niet gesloten. De twee zware houten toegangsdeuren staan wagenwijd open. Voor hem ligt een stemmig verlicht en doodstil Binnenhof. Verwilderd staat hij in de deuropening, in het onbarmhartige schijnsel van de twee grote lantaarns aan weerszijden. Dan ziet hij aan de overkant de rode en blauwe strepen van een politieauto. Hij rent het verlaten plein over. Van achter de ruiten staren de agenten hem aan. Hero bonst op een zijraam en maakt een draaiend gebaar. Geen reactie. Hij drukt zijn voorhoofd tegen het glas dat door zijn adem beslaat. Dan gaat het raam een stukje omlaag.
- Neem me mee. Weg van hier. Het is niet pluis. Ik loop gevaar. Laat me erin.
De agent achter het raampje kijkt hem uitdrukkingsloos aan. – Is het dan zo erg om dood te gaan? vraagt hij. Het raam schuift omhoog. De auto start en rijdt met gierende banden door de poort naar buiten. De zware betonnen bloembak die als wegversperring dient is verdwenen. Hero rent in allerijl terug en gaat weer naar binnen. Dan ziet hij in hoog in de gang een uitgespannen laken hangen.

VARKEN WIJ GAAN JOU DOODGOOIEN EN SLACHTEN DEZE NACHT

staat er tussen verfspatten in rode vegen. Het lijkt wel bloed. Hij duwt de stalen branddeur achter zich dicht, maar weet niet hoe hij hem moet afsluiten. Hij passeert de pantry waar mevrouw Ent aan het opruimen is.
- Meneer Hero, meneer Hero.
Hij loopt terug.
- Meneer Hero, wat is er met u? U ziet lijkbleek. Er zijn medicijnen voor u gebracht.
- Door wie? hijgt hij.
- Door iemand van de beveiliging. Die grote kale met dat ringbaardje, ik weet niet hoe hij heet.
Hero neemt het doosje aan. Het bevat een transparant envelopje met enkele dragees, een flesje met schroefdop en een bijsluiter. Hij vouwt het papier open. Erop staan een paar grootgedrukte regels.
- Laat eerst de tabletten onder de tong smelten. Drink na een half uur de inhoud van het flesje in een keer op, leest hij voor.
- Ik wist niet dat u medicijnen gebruikte, zegt mevrouw Ent. – U moet ze maar gauw nemen. Houd uw hand op.
Ze schudt de inhoud van het envelopje in zijn handpalm.
- En nu innemen. Onder de tong houden.
Hero doet wat ze zegt. Hij siddert over zijn hele lijf. Ze gaat door met het opruimen van de vaat, hangt de theedoeken uit en verbreekt na een minuut of wat de stilte.
- Ik wil best een kop koffie voor u maken, maar ik weet niet of het wel mag met die medicijnen.
- Ach nee, laat u maar.

Dan klinkt er geroezemoes van buiten. Stemmen. Geschreeuw. Hij springt op en sluit de deur van de pantry.
- Snel, mevrouw Ent, de sleutel.
Die heeft ze aan een bos in haar jaszak.
- Deze is het. Wat is er aan de hand, meneer Hero. Wie zijn dat?
Ze komen krijsend door de branddeur. – Hier moet hij zijn. Sleur hem naar buiten. Ze trappen tegen deuren, gillen, lachen en brullen op de gang. – Hého, hého, hého, schreeuwen ze voor de deur van de pantry. Ze bonzen op de deur. – Naar buiten, Hero. We hebben hier een grote snoeischaar. Eerst knippen we één voor één je tenen eraf. Dan je vingers. Daarna snijden we je buik open en trekken je darmen eruit.
Het gejoel zwelt aan. Dan weer luid gebons, en nog een keer. Ze schoppen tegen de deur, die schokt tussen de posten. Hero slaat de inhoud van het flesje in een teug achterover. Hij moet kokhalzen, maar houdt alles binnen.
Ze blijven schreeuwen, bonzen en trappen.
- Hou op, gilt een stem. – Meneer Hero is niet goed geworden.
- Oké jongens, zegt een van de belagers. – That’s it. Nu wegwezen.
Als alles weer stil is, pakt mevrouw Ent bevend de telefoon, die weer normaal functioneert. Als de ambulancebroeders verschijnen, worden ze gevolgd door een cameraploeg en politiemensen die hen geen strobreed in de weg leggen. Ze filmen de vergeefse poging tot reanimatie van Hero, die op de vloer ligt, paarsblauw aangelopen, met opengesperde mond en uitpuilende ogen. En ze nemen een ooggetuigenverslag van mevrouw Ent op.

- Hij nam zijn medicijnen. Wist ik dat hij er een eind aan wilde maken? En al die mensen buiten. Wat die al niet gedaan hebben om hem de deur te laten opendoen. Ik begreep er niets van.
Op het politiebureau wordt ze verhoord.
- Weet u dat het strafbaar is om iemand te helpen bij zelfdoding?
- Ik heb hem alleen maar medicijnen doorgegeven. Die waren voor hem bezorgd, jammert ze.
- U heeft hem de tabletten in de hand gedrukt?
- Ja. Hij was veel te zenuwachtig om het zakje open te krijgen. Maar het drankje heeft hij helemaal alleen opgedronken.
- U heeft hem de sleutel gegeven om de deur van de pantry af te sluiten. En toen er geklopt werd, heeft u niet opengedaan.
- Er werd niet geklopt. Er werd keihard gebonsd. En er werd tegen de deur getrapt.
- Natuurlijk, die mensen wilden erin om hem tegen te houden, maar u deed niet open. Ze hadden zelfs een snoeischaar bij zich, zei u. Natuurlijk om de deur open te breken. Iemand moest daarbij ook op zijn vingers letten. Het middel werkte via de darmen. Maar nog steeds heeft u niet opengedaan. Ze zijn hulp gaan halen. Pas toen het veel te laat was, heeft u de deur van het slot gedaan.
Mevrouw Ent werd aangeklaagd voor het behulpzaam zijn bij, subsidiair niet verhinderen van zelfmoord.


Over de auteur

Dr. Jan van Weeren werd algemeen linguïst tijdens de hoogtijdagen van Chomsky en analytisch filosoof toen Wittgenstein nog in de mode was. Was wetenschappelijk medewerker bij de Leidse universiteit, kwam daarna als afdelingshoofd bij het toetsinstituut Cito en ging vanaf dat moment menselijke mogelijkheden en bekwaamheden meten. In de jaren tachtig werd van hem een verhaal bekroond in de wedstrijd ‘Schrijven over de grens’ en gepubliceerd in de bundel Grensgevallen/Grenzfälle (De Denker, Vaassen), een uitgave van de Provincie Gelderland en de deelstaat Nordrhein-Westfalen. Zijn bibliografie telt over de honderd boektitels, artikelen, recensies en rapporten op het gebied van (toegepaste) taalkunde, toetsen en onderwijsbeleid.
Zijn roman Kamp Andijviestamp staat op het webpodium van winnaars van de schrijfwedstrijd Beste Manuscript 2009.

Webpodium Beste Manuscript

Voor reacties en contact


Teller

9 mei 2010